BENSCHOP IN DE LOOP DER EEUWEN

III.  Ontginning van het ,,wilde westen"

Het westelijk veengebied was één grote uitgestrektheid, men zou kunnen zeggen vanaf de lijn Utrecht - Vreeswijk tot de geestgronden achter de duinen.
Het veen lag toen zes meter hoger dan thans en had zijn natuurlijke afwatering naar de grote rivieren.
Het was één grote ondoordringbare wildernis. Langs de riviertjes op de stroomruggen was bewoning mogelijk. Hier was cultuurgrond aanwezig en van het veen kon men brandstof maken, er groeide hout en het was een verblijfplaats voor het vee, maar voor verreweg het grootste gedeelte was het improductief en ontoegankelijk.
De bezitters van de wildernis waren de Bisschop van Utrecht en de Graaf van Holland.
In de tweede helft van de 10e eeuw kreeg de stad Utrecht tekort aan granen en gaf de Bisschop opdracht tot ontginning van het „Wilde Westen". De ontginninge8n gebeurden volgens vooropgezet plan, volgens uniform systeem en werden uitgevoerd door derden.
Als basis voor de ontginning van de Lopikerwaard dienden de Lopikerwetering (Lobeke) en de IJssel. De Lobeke was een zijriviertje van de Lek. Het stroomde van oost naar west. Een deel hiervan was te smal en is daarom vergraven ofverbreed. Dat deel van Lopik heeft daar zijn naam „de Graaf" aan te danken.
Hoe bescheiden de afmetingen van de Lobeke ook geweest mogen zijn, men heeft er dankbaar gebruik van gemaakt voor vervoer van mensen en benodigdheden. In het Boveneind van Lopik op de Hoogten waren al enige nederzettingen voor de ontginning van de wildernis begon. De ontginners, de kolonisten, kwamen uit Kennemerland en WestFriesland, waardoor de Lopikerwaard een Hollands-Fries karakter heeft gekregen, zij hadden op dit gebied reeds veel ervaring. Hun eerste zorg was de bouw van eenvoudige onderkomens. Daarna begon men met het rooien van struiken en riet. Vervolgens het effenen van de bodem en het graven van scheidingssloten. Het is een harde strijd geweest. Het aantal werkers was gering en hun hulpmiddelen primitief. Het moest gebeuren met spade, vork en draagberd, want de kruiwagen had men nog niet.
De ontginning van Benschop is iets later begonnen dan in Lopik. In oude oorkonden wordt Poisbroek genoemd in 1155, Benschop moet dan ook al in exploitatie zijn geweest.
Kavel indeling
De kavels zagen er als volgt uit:
A = de Lopikse kade
B = de polder Zuidzijde
C = de huidige Provincialeweg
D = de Voorwetering

De kavels waren zo ongeveer 1200 m. lang en ongeveer 110m. breed, met in het midden een afwateringssloot. Het had de grootte van een Hoeve, dat was een oppervlaktemaat van 16 morgen, zo ongeveer 14 ha. Een van de eerste werkzaamheden is het graven van de Benschopper wetering geweest. De hieruit komende grond werd gebruikt voor ophoging van de weg en rond de te bouwen boerderijen. Aan de Noordzijdseweg kun je dat nog duidelijk merken, bij iedere boerderij ga je tegen een hoogte op.
Vanaf de IJssel was men ook begonnen met de ontginning van Willeskop. Er bleef toen nog een ingesloten (beloken) gebied tussen Willeskop en Benschop over, dat de naam Blokland heeft gekregen. In heel Benschop lagen 163 hoeven en 16 morgen, totaal dus 2600 morgen.
Na de ontwatering ging het veen „inklinken", het zakte 1 cm. per jaar, in de période van 6 à 7 eeuwen dus 6 meter. Nu zakt het ieder jaar nog een halve centimeter.

[terug naar hoofdstuk 2] | [lees het volgende hoofdstuk] | [terug naar top] | [terug naar inhoud]

Samenstellers van deze tekst ter gelegenheid van het 175-jarig bestaan van de kerk van de H. Victor zijn: F.T. Pastoors en G.J. Boere.

Bronnen:
Archief van de parochie van de H. Victor. Archief van de Gemeente Benschop. De Lopikerwaard deel 1 door W.F.J. den Uyl. De kerk der hervormde gemeente Benschop door J.G.M. Boon. Sprokkels uit de oude kerspel van Benschop door J.H. Hofman. Geschiedenis van het Katholicisme in de 16e en 17e eeuw door Prof. L.J. Rogier. Archief van de Gereformeerde kerk te Benschop.
Met dank aan degenen die voor fotomateriaal gezorgd hebben en heel in het bijzonder het
S
treekarchivaat Z.W. Utrecht.

F.T. Pastoors en G.J. Boere.