|
V. Van welvaart tot armoede
In het begin van de 13e eeuw werd de eerste Benschopse kerk
gebouwd. Het was toen nog maar een klein kerkje; alleen het huidige schip
stond er. Het koor en het dwarsschip zijn er in de 14e eeuw bijgekomen en in
de 15e eeuw zijn er nog allerlei verbouwingen gevolgd. Hieruit kunnen we
afleiden dat het financieel goed ging. De opdracht tot bouw en verbouw zal
wel uitgegaan zijn van ,,de Heren". maar de bevolking moest de lasten
ervoor opbrengen. De welvaart werd voor een deel veroorzaakt door de
opbrengst van de hennepteelt. Aan de vroegere hennepteelt herinnert ons nu
nog de dwarssloot achter de boerderijen, die de ,,root" genoernd wordt.
In die sloot moest de hennep roten of rotten. Daarna begon het braken.
Verschillende boeren waren hiermee bezig van augustus tot januari. Na die
bewerking ging het naar de markten van Oudewater en Schoonhoven.
Touwslagerijen waren er in Oudewater en IJsselstein. In IJsselstein
herinnert de Touwlaan daar nog aan. De hennepvezels werden versponnen tot
textielwaren en touw. In de 14e en 15e eeuw kwamen de steden van Vlaanderen
en ook verschillende Noordnederlandse steden tot grote welvaart door de
textielindustrie en de scheepvaart. De lextielnijverheid bestond reeds sinds
de 13e eeuw, voornamelijk dankzij Engeland. Engeland zelf bleef nog lang een
achterlijk land, dat zich bezig hield met de schapenteelt, maar de
verwerking van wol aan anderen overliet. De Nederlanders waren de
belangrijkste kopers, verschepers en verwerkers van de Engelse wol. In de
15e eeuw kwam hierin verandering. Onder de regering van de Tudors begonnen
ze de Nederlandse vrachtvaart uit te schakelen. Dit deed ernstige afbreuk
aan de Nederlandse havensteden, die hele contingenten schippersfamilies
telden.
Vervolgens namen ze zelf de wolverwerking ter hand en daarmee fnuikten ze in
de eerste helft van de 16e eeuw de Vlaamse en Hollandse lakenindustrie.
Sinds 1463 mochten Nederlandse schepen geen wol meer meenemen uit Engeland
en de vrachtvaart op andere landen werd steeds meer door Engelsen vervangen.
De meeste Vlaamse en verscheidene Nederlandse steden raakten in het begin
van de 16e eeuw in de knel. De stad Leiden ging al in 1494 failliet. Door de
verminderde scheepvaart was er minder vraag naar touw en raakte de
Benschopse hennepteelt in grote zorgen. Tijdens het bewind van Karel V
(1515-1555) zaten we met een sterkverouderd belastingstelsel. Zware
schattingen werdcn op grondbezit en vaste goederen gelegd, terwijl de
koophandel en industrie vrijwel ongemoeid bleef. Door de vele oorlogen, die
Karel V voerde was de belasting in die dagen tot het vier- à vijfvoudige
gestegen. Dit drukte loodzwaar op boeren en landadel. Ook de talrijke
pestepidemieën hadden hun invloed op de verarming. Verscheidene stukken
land bleven braak liggen, deels door een tekort aan menselijke en dierlijke
krachten, deels doordat het bedrijf niet exploitabel was. Ook werden de
inwoners lastig gevallen door rondzwervende troepen bedelaars, merendeels
afgedankte soldaten. wier gruwelen het landvolk tot radeloosheid dreven. De
Deens Successieoorlog (1531-1543). waaraan Karel V deelnam, leidde tot
herhaalde sluiting van de Sont, waardoor een ernstig tekort aan koren
ontstond. In de jaren 1532-1534 naderde de toestand van hongersnood.
In die dagen ontstond een nieuwe godsdienstige sekte van de Anabaptisten of
Wederdopers. Een van de leiders van die sekte in Nederland was Jan van
Leiden. Hij predikte een „communistische" leer, waarin hij privaat
bezit wilde vervangen door gemeenschappelijk bezit. Dit trok de arme
bezitslozen sterk aan, werkloze wevers en schippers maar ook veramde boeren.
In Benschop en omgeving kreeg hij veel aanhangers. In 1534 deden de
Wederdopers een aanslag op Amsterdam. Onder leiding van Jan van Geelen werd
een roekeloze poging tot overrompeling van de stad gedaan. Hij slaagde erin
zich van het stadhuis meester te maken, maar de volgende morgen heroverden
de soldaten het gebouw weer. In het boekje ,,Sprokkels uit het oude Kerspel
van Benschop" staat dat er 300 boeren uit Benschop aan deelgenomen
hadden. Het leek mij echter aannemelijk, dat de geschiedschrijver zeer sterk
overdrijft, of hij moet de gehele Lopikerwaard incluis IJsselstein bedoelen.
Drie Benschopse vrouwen, Lijsbet Jans, Adriana Jans en Aaltje Jillis, die
hierbij betrokken waren geweest werden 15 dagen later in Amsterdam, in
zakken gestoken, in het IJ verdronken. In de jaren 1538-1539 teisterden deze
Wederdopers nog het platteland o.a. in IJsselstein door hun nachtelijke
overvallen op weerlozen. Hun op de ,,Bokkenrijders" herinnerende moord-
en brandLust bleven nog geslachten land een huiveringwekkende heugenis. De
verarming van Benschop in die tijd is o.m. al le leiden uit de slechte
toestand waarin het kerkgebouw verkeerde. De Drost van IJsselstein
verkliaart in 1579 datl het leiendak erg slecht is,. een deel van de loden
goten is weggeslagen, de planken onder het leidek zijn verrot,. zowel van de
kerk als van de toron en de meestee ruiten zijn kapot. In 1589 werd een
verzoek gedaan door Burgemeester. het gerecht en de gemene onderzalen van
Benschop aan het bestuur van de Baronie. waarin ze geduld vragen inzake de
betaling van de tiendpacht wegens de grote armoede die er heerste.
[terug naar hoofdstuk 4] |
[lees het volgende hoofdstuk] | [terug
naar top] | [terug naar inhoud]
Samenstellers van deze tekst ter gelegenheid
van het 175-jarig bestaan van de kerk van de H. Victor zijn:
F.T. Pastoors en
G.J. Boere.
Bronnen:
Archief van de parochie van de H. Victor.
Archief van de Gemeente
Benschop. De Lopikerwaard deel 1
door W.F.J. den Uyl.
De kerk der hervormde
gemeente Benschop door J.G.M. Boon.
Sprokkels uit de oude
kerspel van Benschop door J.H. Hofman.
Geschiedenis van het
Katholicisme in de 16e en 17e eeuw door Prof. L.J. Rogier.
Archief van de
Gereformeerde kerk te Benschop.
Met dank aan degenen die voor fotomateriaal gezorgd hebben
en heel in het bijzonder het Streekarchivaat
Z.W. Utrecht.
F.T. Pastoors en
G.J. Boere.
|