|
VI. De Hervormde Kerk van Benschop
Op de vooravond van Allerheiligen, anno 1517,
plakte Luther zijn stellingen aan op de Slotkapel te Wittenberg in Duitsland. dit noemen
we het begin van de Reformatie.
In ,,sprokkels uit het oude Kerspel van Benschop" lezen we dat op 12 oktober
1519 het volgende besluit werd genomen: ,,Wij deken ende gemeen kapittel van de Sint
Nicolaaskerk binnen IJsselstein. pastoren der kerke van Benschop, verklaren bij ons
geweten voor de gerechte waarheid, dat wij beiden dikwijls gemerkt, gehoord en gezien
hebben die grote onbehoorlijke diensten, geschiedt in die kerk door Gherrit Floriss,
koster van Benschop." Gherrit Floriss, die dikwijls gewaarschuwd was, werd afgezet.
Als genoemde koster, met zijn onbehoorlijk gedrag reeds de partij hield van de opstand,
die onder Luthers leiding was uitgebroken, dan heeft zijn afzetting haar doel niet
bereikt, want op 29 mei 1532 zag Floris van Egmont, graaf van Buren en heer van
IJsselstein zich gedwongen het volgend plakaat te laten uitgaan: ,,Alzo wij bevonden
hebben dat, door dat menigvuldig disputeren over den Scriften, grote twisten en
tweedrachten gekomen zijn tussen onze ondersaten van IJsselstein en onze landen van
Benschop en Polsbroek, ordineren (bevelen) wij, dat van nu af niemand van onze ondersaten,
op enige manier die Scriften te preken, dan alleen die dat bevolen is op ten Stoel
(preekstoel), dit op straffe van 10 pond." Dît bevel schijnt zijn doel ook te hebben
gemist, want in 1535 zien we het optreden van de Wederdopers, waarover we in vorig
hoofdstuk geschreven hebben. Ook het ,,metten anderen vechten" heeft het niet geheel
kunnen verhinderen. Of dit in ,,Lutherie" zijn aanleiding had, bleek ons niet, maar
de dood spookte onder de gevolgen. Ziehier een kort uitreksel over hetgeen het archief van
IJsselstein daarover heeft bewaard: ,,Den 28 november 1553 vergaderden Leendert Jansz,
burgemeester te Benschop en de heer Joris, priester te Benschop benevens Gilles Hermansz
ende Heinrick Daems, gezworene (beëdigde) te Benschop om met Frans Dirksz, secretaris te
IJsselstein, samen te werken ter zoening van een manslag (doodslag) door Adriaan Hermansz,
burger te IJsselstein, gepleegd aan Claes Coenensz te Benschop". Heer Joris, die bij
de ondertekening zich Georgius Egidii noemt, is waarschijnlijk de priester, die destijds
namens het kapittel van IJsselstein de herderlijke zorg over Benschop waarnam.
,,Bleef hij nog een kwarteeuw die taak vervullen, dan heeft zijn oog den gruwel der
verwoesting in het heiligdom zien binnendringen, want in de aanvang van 1579 lag hct
Catholicisme te Benschop onder den voet; de kerk was gcroofd, hare goederen gingen te
loor. Behouden bleef slechts 't Silvere werk van Benschop". ,,Dat waren: Een groote
silvere ciborie met een decksel. Een silvere cruys. Vier silveren vergulden kelcken met
drye silvere olyvaetken." Dit zilverwerk werd in 1572 naar het kasteel te IJsselstein
gebracht met dat van de IJsselsteinse kerken om te verhinderen dat het een prooi zou
worden voor rondzwervende lieden, levend van roven en plunderen. Het kerkzilver is echter
nooit teruggekomen, want Prins Willem l van Oranje nam het in beslag voor de aanleg van de
verdedigingswerken rond de stad Breda. De heer Boon schrijft in zijn boekje ,,De kerk van
de Hervormde Gemeente te Benschop": ,,Op de vraag, wanneer de kerk voor de
protestantse eredienst werd ingericht, moeten we het antwoord schuldig blijven. Misschien
was reeds in 1577 de kerk ontdaan van het altaar, de beelden en andere voorwerpen welke
nog herinnerden aan de uitoefening van de R.K. eredienst. In IJsselstein was dit althans
in dat jaar in beide kerken op grove wijze geschied." In de zomer van het jaar 1578
togen de Benschopse kerkmeesters Cors Jacobsz en Jan Daems naar Utrecht, naar de herberg
De Drie Haringen, om met de Drost van IJsselstein te spreken ,,aangaande der kercken
zacken". Hier worden toezeggingen gedaan betreffende het herstel van het kerkgebouw,
tevens werd een nieuwe pastoor aangenomen. Gerrit Adriaansz va Zijll, ,,bij kennisse van
den schout ende gerechte". De nieuwe pastoor ontpopte zich al spoedig als een
aanhanger van de Nieuwe Leer. Hij wordt dan ook de eerste predikant van Benschop. Men
vraagt zich af, is hier niet een handeltje verricht. Interessant is de vraag, hoe zal de
verhouding geweest zijn tussen de aanhangers van de ,,Oude" en de ,,Nieuwe"
leer. Hierover wordt rechtstreeks niets vermeld, maar uit enkele feiten kun je opmaken dat
er in de leefverhoudingen direct niet veel veranderde, want
-
De reparaties aan de kerk in de periode 1579-1582 werden
gesteund door de twee geestelijke Ridderorden.
de Duitse orde en de Johannieters, die in Benschop land bezaten. De hoofden hiervan
waren in die dagen nog Rooms Katholiek.
-
De gehele Benschopse bevolking bezocht de zelfde kerk. De
veranderingen in de eredienst zullen waarschijnlijk zeer geleidelijk gegaan zijn. Pas in
1640 keren de Rooms-Katholieken de kerk van Benschop. hun oude parochiekerk, de rug toe.
Zij gaan dan in IJsselstein ter kerke. Dat valt af te leiden uit het feit, dat kinderen
van R.K. ouders uit Benschop in 1640 voor het eerst in IJsselstein worden gedoopt.

Pand, waarin tot aan de vorige eeuw de
school was gevestigd
en tot in deze eeuw
heeft gediend tot onderwijzerswoning,
gestaan hebbend op de plaats van het huidige
gebouw
Maranatha.
[terug naar hoofdstuk 5] |
[lees het volgende hoofdstuk] | [terug
naar top] | [terug naar inhoud]
Samenstellers van deze tekst ter gelegenheid
van het 175-jarig bestaan van de kerk van de H. Victor zijn:
F.T. Pastoors en
G.J. Boere.
Bronnen:
Archief van de parochie van de H. Victor.
Archief van de Gemeente
Benschop. De Lopikerwaard deel 1
door W.F.J. den Uyl.
De kerk der hervormde
gemeente Benschop door J.G.M. Boon.
Sprokkels uit de oude
kerspel van Benschop door J.H. Hofman.
Geschiedenis van het
Katholicisme in de 16e en 17e eeuw door Prof. L.J. Rogier.
Archief van de
Gereformeerde kerk te Benschop.
Met dank aan degenen die voor fotomateriaal gezorgd hebben
en heel in het bijzonder het Streekarchivaat
Z.W. Utrecht.
F.T. Pastoors en
G.J. Boere.
|