|
VIII. Uit het Gemeente Archief van Benschop
1550-1850
Als we vandaag berichten in de krant lezen zijn het veelal ongunstige en slechte
tijdingen. Het goede en normale wordt meestal niet vermeld. Zo is het ook met de
beschrijvingen in het Gemeente Argief. Ik schrijf dit even daar je anders zou denken, dat
in bovengenoemde periode alleen maar ellende en armoede heersten.
De dorpen in de Lopiksewaard waren alle agrarisch, maar Benschop niet zo
uitgesproken, want van de 189 gezinshoofden waren er in 1812 74 die een niet-agrarisch
beroep uitoefenden. 12 van hen waren winkeliers en nog 5 anderen, die hun winkel
kombineerden met iets anders. Voorts 7 kooplieden, 4 baardscheerders, 3 herbergiers, 4
bakkers, 2 hoefsmeden, 7 schoenmakers, 5 timmerlieden, 3 menmaers, 2 kuipers, 1 molenaar,
1 rietdekker, 1 horlogemaker en 1 chirurgijn. zij hadden alleen maar een armoedig bestaan.
In het begin van de 19e eeuw was het gebruik vab het land als volgt ingedeeld: 1100 morgen
weiland en 1000 morgen voor hooiland. 400 morgen was bouwland. Hierop werden hennep,
aardappels en granen geteeld. In het Boveneind lag nog 100 morgen griendland. De hnnepeelt
besloeg in de periode 1631 tot 1645 nog tussen de 116 en 133 morgen. In de 2e helft van de
18e eeuw ging deze teelt gestadig achteruit. In 1881 is de hennepteelt geheel verdwenen.
Reeds in de 16e eeuw werd op het ,,Speelveld" voor de kerk de Bestenmrkt gehouden. In
het voorjaar de ,,Vastelavondmarkt" en in het najaar de ,,Sint Victormarkt" (10
okt.). Rond 1750 wordt er nog n markt gehouden. De Beestenmarkt was bijzonder in trek. In
1810 werden er 14 ossen en 432 koeien aangevoerd op de eerste woensdag na Sint Victor. Dit
is tot diep in de 19e eeuw zo gebleven.

De Benschopse molen
In de 16e eeuw stond op de Zuidzijde tegenover de Benschopse kerk de
,,Roskorenmolen", deze is gebleven tot 1600.
In 1604 is een windkorenmolen gebouwd ten noorden van de Polsbroekerdam voor de
inwoners van Benschop en Noord Polsbroek. Het was een ,,geldmolen". het maalloon
moest in geld betaald worden in tegenstelling met de ,,schepmolens", waar de molenaar
uit iedere zak een schep voor zichzelf hield.
In de jaren 1803 en 1804 had de molenaar aan de Dam respektievelijk 1560 en 1820
mud koren gemalen, als maalloon rekende hij 8 stuivers per mud.
De molen is in 1923 afgebroken.
Alle eeuwen door was het platteland erg onveilig; dieven en brandstichters trokken
er 's winters rond. In het midden van de 18e eeuw was de onveiligheid zo groot dat in 1740
besloten werd, van november tot half maart, alle nachten 19 personen uit de inwoners bij
toerbeurt het hele dorp te laten bewaken. Zij moesten van 's avonds 10 uur tot 's morgens
3 uur het gehele dorp door lopen. Ze werden van behoorlijke wapens voorzien.
Zeven jaar later zijn ze door 5 ,,Nachtklappers" vervangen. 6 Maanden per jaar
moesten ze wachtlopen. De nachtklappers heeft men de gehele 18e eeuw gehandhaafd.
Veepest en overstromingen
Gedurende een groot deel van de 18e eeuw heerste
de besmettelijke veepest. In 1713 lezen we er voor het eerst over. De gevolgen hiervan
waren ernstig, want gedurende een aantal jaren waren de pachters van de Armenlanden niet
in staat hun pacht te betalen.
Eén pachter, die 8 koeien dood had, kreeg in 1717 20 gulden terug en in de twee
volgende jaren werd aan enkele anderen kwijtschelding van de halve pacht verleend.
In 1774 was de ziekte nog heviger. Ondanks alle voorzorgsmaatregelen die door de
plaatselijke overheid genomen werden, stierven er dat jaar 2300 runderen.
Behalve door de pestziekte onder het vee werd de Lopikerwaard in de 18e eeuw nog
geteisterd door overstromingen. Eerst in 1726, daarna in 1751 en 1760.
De overstroming van 1726 was niet zo ernstig. Veel ernstiger was die van 23 maart
1751. De redacteur van de Utrechtse Courant schreef hierover:
,,Utrecht den 25e maart. Eergisteren namiddag tussen drie en half vier is de
Lekkendijk 5 kwartier gaans beneden Vreeswijk ter lengte van 12 roeden doorgebroken en
voorts 's avonds een half uur gaans aan deze zijde van Jaarsveld. Deze tweede doorbraak is
veel groter dan de eerste. Een menigte land- en andere werklieden, welke men op 130
schatte en die zich op den dijk bevonden, geraakten tussen die beide inbraken

Dijkdoorbraak, veroorzaakt door ijsgang
afgesneden. Echter zijn deze gisterenmorgen, door vaartuigen uit Lexmond
overgekomen, gelukkig nog gered. Ondertussen is op het platteland de ellende
onuitsprekelijk. Door de beide doorbraken is een vervaarlijke menigte water binnengestort,
waarvan men het geruis op een afstand van meer dan een uur gaans zeer bekwaam horen
kan." De doorbraak van 25 januari 1760 was nog erger in zijn gevolgen. Vele huizen en
ander getimmerte waren zwaar beschadigd en in augustus stonden de landerijen nog
merendeels blank.
Dit is de laatste overstroming die de Lopiker-waard geteisterd heeft.
Armenzorg: Dat was de taak van de Heilige Geestmeesters of armmeesters.
Het armbestuur bezat in 1574 reeds 15,5 morgen lands, dat 258 gulden aan pacht
opbracht. Als regel was eer een groot tekort om de armen naar redelijkheid te voorzien.
In 1768 kreeg eerder genoemd bestuur de opbrengst van de pacht van de tol op het
Zandpad (Zuidzijdseweg) welke 106 gulden bedroeg. Om de inkomsten van de armenkas nog
verder te vergroten werd in 1803 bepaald, dat van elke koe die op de Beestenmarkt werd
aangevoerd 2 stuivers geheven werd en voor elke opgestelde kraam 3 gulden. In totaal
bracht dat 65 gulden op.
In 1744 vaardigde de Vrijvrouwe van de Baronie een voorschrift uit van de volgende
inhoud: ,,Bedeelden, die zich aan sterke drank te buiten gaan zullen 2 maal 24 uur op
water en brood worden gezet."
In verband hiermee verzochten de opperarmmeesters van Benschop of zij het hoekje
van de kerktoren hiervoor mochten gebruiken.
Manspersonen kregen van het armbestuur jaarlijks een wambuis en een broek van Turks
bombazijn. Vrouwen kregen een jak en een rok van bruine boeren sergje.
Kinderen van bedeelde moesten 's zomers ter kerke gaan als ze 8 jaren waren en in
de wintertijd die van 10 jaar en ouder.
't Vroetwijff
In 1525 was er reeds een ,,vroetwijff", zij ontving 3
carolusguldens per jaar als salaris van de gemeente voor de hulp verleend aan
,,bedeelden". In de 18e eeuw komt er een ,,gemeente vroedvrouw".
In 1736 was dat Caatje van der Sprong. zij genoot 94 gulden per jaar. Zij was
geëxamineerd door de stadsdokter van Gouda.
In 1780 ontving de vroedvrouw 100 gulden 's jaars van Benschop en 30 gulden van
Noord Polsbroek.
In 1588 ontmoeten we al een chirurgijn. Hij was tevens schoolmeester. In 1810
beginnen de inentingen tegen de pokken.
Dierenbescherming:
In 1566 werd door de overheid van de Baronie de volgende verordening afgekondigd:
"Niemand mag binnen een halve mijl (800m.) van de wildernis grote honden houden,
tenzij men de voorste klauwen af laat hakken of een knuppel aan de hals doet dragen'.'
Inwonertal:
1780: 1060 inwoners
1800: 1094 inwoners
1812: 1234 inwoners
Die grote sprong tussen 1800 en 1812 is waarschijnlijk toe te schrijven aan nauwkeuriger
tellingen tijdens de Franse bezetting.
[terug naar hoofdstuk 7] |
[lees het volgende hoofdstuk] | [terug
naar top] | [terug naar inhoud]
Samenstellers van deze tekst ter gelegenheid
van het 175-jarig bestaan van de kerk van de H. Victor zijn:
F.T. Pastoors en
G.J. Boere.
Bronnen:
Archief van de parochie van de H. Victor.
Archief van de Gemeente
Benschop. De Lopikerwaard deel 1
door W.F.J. den Uyl.
De kerk der hervormde
gemeente Benschop door J.G.M. Boon.
Sprokkels uit de oude
kerspel van Benschop door J.H. Hofman.
Geschiedenis van het
Katholicisme in de 16e en 17e eeuw door Prof. L.J. Rogier.
Archief van de
Gereformeerde kerk te Benschop.
Met dank aan degenen die voor fotomateriaal gezorgd hebben
en heel in het bijzonder het Streekarchivaat
Z.W. Utrecht.
F.T. Pastoors en
G.J. Boere.
|