|
XXIV.
Van agrarische gemeenschap naar leefbaar dorp
In de jaren na de Tweede Wereldoorlog beginnen de veranderingen in
Benschop.
Het eeuwenoude agrarische leven gaat tengevolge van de mechanisatie sterk
veranderen. De werkgelegenheid in de landbouw neemt af.
Voorheen had bijna iedere boer een dienstbode en knecht, maar daar de arbeid
beter betaald moest worden, kon men dat niet meer opbrengen.
Ook het aantal meewerkende zonen en dochters verminderde, dat was vaak een
brok "verborgen werkloosheid".
De jonge boeren konden heel moeilijk een bedrijf vinden. Dat was al veel
langer een probleem geweest, wat zich uitte in het grote aantal vrijgezellen
die gezamenlijk een boerenbedrijf uitoefenden.
In de jaren vijftig werd er veel voorlichting gegeven omtrent emigratie naar
Canada. Talrijke boerenzoons en dochters waagden de grote sprong.
In Benschop is de lust tot emigreren nooit groot geweest in tegenstelling
met Montfoort en Oudewater. In Montfoort was Lieshout sr., de directeur van
de Landbouwschool, daar de promotor van.
De industrie nam een ruime vlucht en daar kwamen de nieuwe arbeidsplaatsen;
ook de dienstensector groeide sterk. Hiervoor was een nieuwe opleiding
noodzakelijk.
Het onderwijs kwam sterk in de belangstelling. Technische scholen en scholen
voor voortgezet onderwijs waren nodig. In Usselstein kwam in de beginjaren
zestig de Technische school tot stand, een jaar later gevolgd door een
U.L.O.-school. Deze ontwikkeling veranderde het gehele levenspatroon.
De vijfdaagse werkweek kwam tot stand. Er kwam veel meer vrije tijd.
De jeugd kreeg behoefte aan sport en recreatie.
Het toenmalige gemeentebestuur kon die veranderingen nog niet aanvoelen en
waarderen, wat blijkt uit een artikel in het toenmalig dagblad "Het
Centrum".
PLATTELANDSPROBLEMEN SPELEN OOK IN BENSCHOP: WEL
SUBSIDIE VOOR KALF EN PINK MAAR NIET VOOR DE JEUGD?
In de na-oorlogse jaren hebben we een zeer snelle ontwikkeling en tevens
verandering gezien van het gehele maatschappelijke leven, ook in de
allerkleinste agrarische dorpen.
In vroeger dagen was "wat moet mijn zoon worden" voor de boerenbevolking
geen probleem: "Natuurlijk ook boer, net als wij en de vele vorige
generaties". Slechts een enkele voelde zich geroepen tot de geestelijke
stand, of ging studeren voor onderwijzer, de rest bleef thuis op het
ouderlijk bedrijf.
Maar ten gevolge van het feit, dat het niet meer verantwoord was landerijen
te gaan splitsen, kon deze oude gewoonte in vele gevallen niet worden
gehandhaafd.
Kerk, school en landbouworganisaties gingen de kinderenen ouders
voorlichten omtrent de mogelijkheden om te studeren of om een vakopleiding
te volgen voor een agrarische jeugd. In het begin ging dit uiterst langzaam
en moesten veel hindernissen en vooroordelen overwonnen worden. Thans zien
echter vele ouders de noodzaak van dergelijke veranderingen goed in en
proberen hun kinderen die opleiding te geven die gewenst en mogelijk is.
We zien nu 's morgens hele groepen jongens en meisjes per fiets of bus het
dorp uittrekken naar ULO-school; technische school of HBS. Enkele tientallen
meisjes hebben al een werkkring gevonden op kantoor, atelier of verkoopster
in een of ander winkelbedrijf.
Maar deze ontwikkeling van het dorpsleven roept tegelijkertijd nieuwe
problemen op en één hiervan is: vrijetijdsbesteding.
De boerenjeugd van voorheen had weinig vrije tijd en de vrije tijd die ze
hadden werd grotendeels binnenshuis doorgebracht en dientengevolge behoefde
de gemeenschap vroeger aan dit probleem geen aandacht en tijd te besteden.
Het gevolg hiervan is, dat er thans in zeer vele kleine dorpen geen
parochiehuizen, gemeentezalen voor ontspanning, gymnastieklokalen,
sportclubs e.d. zijn.
De eis van de tijd nu is, dat er in dorpen dergelijke lokaliteiten, velden
en clubs worden gecreëerd. De meest gewenste en meest juiste methode
hiervoor is het particulier initiatief, echter aangemoedigd door
gemeentelijke subsidie.
Bovenomschreven ontwikkeling maakt Benschop nu ook door. Het particulier
initiatief heeft reeds twee sportverenigingen tdt stand gebracht: een
voetbalvereniging voor de mannelijke jeugd en een handbalvereniging voor de
vrouwelijke, welke laatstgenoemde vereniging in een jaar tijds vijf en
dertig leden heeft aangetrokken.
Deze vereniging nu heeft zich tot de raad der gemeente Benschop gewend, met
tiet verzoek om een jaarlijkse subsidie. Het college van B&W heeft echter
aan de r~ad voorgeste.ld voordit doel geen subsidie te verlenen, onder het
motto: "leder die iets organiseert, dient ook zorg te dragen voor de
benodigde gelden".
Wat de raad zal doen is nog even áfw.:ichten,maaf'de meerderheid zal zich
naar alle waarschijnlijkheid met het advies van B&W verenigen.
In het advies van B& W zit echter een duidelijke en opvallende
inconsequentie. In de laatst gehouden raadsvergadering werd een verzoek van
de Jonge Boerenbonden om subsidi~ voor het houden van een jongveekeuring
ingewilligd met algemene stemmen en daarom moet deze conc.lusie worden
getrokken: "In Benschop wel subsidie voor een pink en een kalf, maar niet
voor de jeugd."
Mogen de vroede vaderen nog tot andere gedachten komen in .het belang van de
Benschopse jeugd.
Het mocht niet baten, "kalf en pink hadden geprevaleerd boven het belang
van de Benschopse jeugd."
Het navolgende schrijven van de gemeente maakte een eind aan onze illusies.
4 October 1957
Aan het bestuur van de Dameshandbalvereniging " Victoria" te Benschop.
p/a de heer 1: F. Pastoors, voorzitter.
In antwoord op Uw schrijven d.d. 6 juni 1957, delen wij U mede, dat de raad
dezer gemeente in zijn op 2 october 1957 gehouden vergadering geen termen
heeft kunnen vinden aan Uw vereniging een subsidie toe te kennen.
w. g. Burgemeester en wethouders van Benschop.
Nadat de voetbalvereniging Benschopse Boys en de dames handbalverepiging
Victoria ter ziele waren gegaan aan "modder en eenzaamheid" was er in
Benschop geen gelegenheid meer om wedstrijdsport te beoefenen.
Vanaf .1962 klonk een nieuw geluid in de Benschopse gemeenteraad:
"Overigens, mijne heren, ben ik van mening dat er in Benschop een sportpark
moet komen".
In deze geest sprak 2000 jaar geleden de Romeinse senator Cáto, maar nu was
het het jonge raadslid Fep Terberg.
In iedere raadsvergadering kwam de stereotiepe vraag: "Mijnheer de
voorzitter, hoe staat het met de plannen om te komen tot een gemeentelijke
sportpark?" Het collegiale antwoord was steeds: "Het heeft onze
belangstelling en aandacht", maar dat was voor Fep niet voldoende. Hij nam
kontakt. op met zijn collega-raadslid Teus van Vliet en lichtte die in over
de schrijnende problemen in Benschop.
Op zekere dag vernam de heer van Vliet, dat er in het Benedeneind een
boerderij te koop was. Oirekt gingen beide heren er op af. Oe boerderij werd
gekocht voor [200.000,- door de gemeente Benschop, mits de raad. en G .8.
het goedkeurden. Mochten deze instanties er niet mee instemmen dan waren
beide raadsleden koper.
De volgende dag werd Piet Oosterom uitgenodigd voor een gesprek. De heren
Terberg en van Vliet zeiden: "Piet, we willen je boerderij kopen."
"Best", antwoordde Oosterom, "als jullie maar iets anders voor me hebben".
Nu, een ruilobject was er en over de prijs was al heel spoedig
overeenstemming.
Secretaris Stegeman kreeg de opdracht kontakt op te nemen met de
burgemeester, die op vakantie was in Israël. Burgemeester Zielhuis, in 1964
in Benschop gekomen, kon er mee instemmen. Na enige weken de raad en na
enkele maanden ook Gedeputeerde Staten. Het ideaal van een mooi leefbaar
dorp kwam in het verschiet.
Automobielfabriek Terberg.

De nieuwe Rabo-bank.

HET DYNAMISCHE KOLLEGE 1966-1974
Na de gemeenteraadsverkiezing van 1966 bestond het college uit de heren
Zielhuis, Terberg en van Vliet.
Met voortvarendheid werd de nieuwbouw rond het dorp aangepakt, woningbouw,
scholenbouwen bospark.
Plannen werden gemaakt om te komen tot een Dorpshuis. De geraamde kosten
bedroegen 4½ ton. De bevolking moest hiervan 10%, dus f45.000,-, opbrengen.
Tegelijkertijd werd een krediet vastgesteld van f200.000,- voor de aanleg
van één voetbalterrein en een gravelveld.
Op 1 april 1969 werd de Sportvereniging Benschop opgericht. Een vereniging,
die nu uitgegroeid is tot een ledental van ruim 800, waarin jong en oud hun
gewenste sport en recreatie kunnen uitleven.
Benschop heeft nieuwe werkgelegenheid gekregen. Automobielbedrijf Terberg is
hiervan de belangrijkste. Voorts diverse garagebedrijven, aannemers,
loonbedrijven voor de agrarische sector, weg- en waterbouw en
electriciteitszaken.
In de dienstensector kwamen winkelbedrijven en de nieuwe Rabobank Benschop.
De ruilverkaveling Lopikerwaard is nog in volle gang en maakt het mogelijk
grotere agrarische bedrijven met voldoende bestaanszekerheid te scheppen.
Als een zwaart van Damocles hangt de gemeentelijke herindeling boven
Benschops hoofd. Waarschijnlijk zal Benschop als zelfstandig dorp, dat
bestaat vanaf de Franse tijd, zijn tweede eeuwfeest niet beleven.
[terug naar hoofdstuk
23] | [terug
naar top] | [terug naar inhoud]
Samenstellers van deze tekst ter gelegenheid
van het 175-jarig bestaan van de kerk van de H. Victor zijn:
F.T. Pastoors en
G.J. Boere.
Bronnen:
Archief van de parochie van de H. Victor.
Archief van de Gemeente
Benschop. De Lopikerwaard deel 1
door W.F.J. den Uyl.
De kerk der hervormde
gemeente Benschop door J.G.M. Boon.
Sprokkels uit de oude
kerspel van Benschop door J.H. Hofman.
Geschiedenis van het
Katholicisme in de 16e en 17e eeuw door Prof. L.J. Rogier.
Archief van de
Gereformeerde kerk te Benschop.
Met dank aan degenen die voor fotomateriaal gezorgd hebben
en heel in het bijzonder het Streekarchivaat
Z.W. Utrecht.
F.T. Pastoors en
G.J. Boere.
|